Het weer van Arie Verrips

Vandaag

Er valt soms wat regen of een buitje. De wind is meest zwak uit ZW, later vanmiddag draaiend naar NW. Het wordt maximaal 5 graden.
Vanavond en vannacht valt er soms een winterse bui. De NW-wind is zwak tot matig. Het koelt af naar rond het vriespunt.

De normale minimumtemp. is 0.8, maximum 5.7 graden
De zon komt op om 08:20 uur, gaat onder om 17:28 uur

Morgen

Wegen kunnen in de ochtend glad zijn door bevriezing of winterse neerslag.
Er vallen geregeld winterse buien. De W- tot NW-wind is matig. Het wordt maximaal 4 - 5 graden.
In de avond en vooral de nacht neemt het aantal buien af. De NW-wind is zwak tot matig. Het gaat overal wat vriezen.

De normale minimumtemp. is 0.8, maximum 5.7 graden
De zon komt op om 08:19 uur, gaat onder om 17:30 uur

-advertentie-

 

Meerdaagse verwachting

zo ma di wo do





Winterse buien Winterse buien Half bewolkt Half bewolkt Half bewolkt
min. -1 °C 0 °C -2 °C -3 °C -4 °C
max. 5 °C 5 °C 4 °C 3 °C 2 °C
neerslag 60% 80% 30% 30% 20%
wind NW 3 WNW 3-4 NW 3 N 3 NO 3

Weernieuws

Klimaat

Kou in januari.

Beleven we dit jaar in januari zacht weer, heel anders ging het er aan toe in 1987. Tussen 9 en 21 januari kwam de temperatuur niet boven nul, er sneuvelden diverse datumrecords. Op 5 dagen bereikte de maximumtemperatuur een laagterecord en op 3 dagen gold dat voor de minimumtemperatuur.

De koudste dag was op 14 januari, toen het in De Bilt niet warmer werd dan -10.6 graden en het 's nachts afkoelde tot -15.2 graden. Gevoelsmatig was het echter nog een heel stuk kouder omdat er een groot deel van de dag een krachtige tot harde oostnoordoostenwind stond. Dit veroorzaakte gevoelstemperaturen van lager dan -30 graden zodat het KNMI 's avonds†adviseerde om de volgende†dag binnen te blijven. Eigenlijk kwam de waarschuwing een dag te laat, want niet de 15e, maar de 14e werd uiteindelijk de koudste dag. In de avond van de 14e draaide de wind iets bij naar NO, waardoor†iets minder koude†lucht vanaf de Oostzee kwam binnenstromen.

Na deze periode werd het ruim een week kwakkelweer, maar de laatste week van januari† werd het 's nachts opnieuw erg koud. Toch kwam het - na 1985 en 1986 - niet tot een Elfstedentocht, al scheelde het niet veel. De kwaliteit van het ijs was op sommige plaatsen toch niet goed genoeg.

Februari bracht niet heel veel vrieskou. Er waren wel redelijk wat vorstdagen, maar het betrof in De Bilt steeds lichte vorst en er was maar een ijsdag. Als† de Tocht der Tochten wel was doorgegaan zou dat een evenaring zijn geweest van de reeks van drie Elfstedentochten tijdens de oorlogsjaren 1940, 1941 en 1942.

De eerste weken van maart werd het wel weer koud. Toen - het eerst in het noordoosten van het land - de vorst inviel was er in dat gebied een enorme overlast als gevolg van ijzel. Door de bevroren regen†ontstond daar op diverse plaatsen een ijslaag van 3 tot 4 cm dik, zodat er heel veel schade ontstond aan bossen in Groningen en Drente. In onze regio verliep het invallen van de vorst vrijwel geruisloos.

De laatste Elfstedentocht dateert al weer van 4 januari 1997. De langste periode tussen twee Elfstedentochten ligt tussen 1963 en 1985. Met de huidige klimaatverandering lijkt de kans op een volgende Elfstedentocht natuurlijk wel steeds kleiner te worden.

Achtergrond

Hoe ontstaat sneeuw en wanneer valt het?

Alle neerslag begint als sneeuw, behalve de zo karakteristieke motregen die bij temperaturen boven nul lager in de atmosfeer tijdens stabiele situaties ontstaat. Zodra waterdamp condenseert, ontstaan wolken. Ontwikkelen wolken zich tot op grote hoogte, bijvoorbeeld in de vorm van oprijzende buienwolken of bijvoorbeeld door opglijdingsprocessen langs een frontvlak, dan kunnen de minuscule waterdruppeltjes - zodra de luchttemperatuur onder nul komt - temperaturen krijgen van beneden het vriespunt. In eerste instantie zien we dan onderkoelde waterdruppeltjes. Zodra de temperatuur tot beneden de circa -12 graden is gezakt (dit noemen we het ijskiemniveau) begint het bevriezingsproces en vormen zich kleine ijskristalletjes.

Uit de onderkoelde waterdruppeltjes komt door een dampdrukverschil tussen ijs en water een transport van waterdamp op gang die zich vervolgens op de ijskristalletjes afzet waardoor als het ware zeer kleine sneeuwvlokjes kunnen ontstaan. Bij zeer lage temperaturen is er overigens weinig sprake van aangroei van sneeuwvlokken. Het beste verloopt dit proces bij waarden van -10 tot -15 graden.

Tijdens een weertype met buien zien we aan de bovenzijde van de buienwolk vaak een soort aambeeld. Dit bestaat geheel uit kleine sneeuwkristallen bij een temperatuur van 20 tot grofweg 50 graden onder nul, afhankelijk van het seizoen en de hoogte van de wolk. Zodra de sneeuwkristallen gaan vallen (een overigens zeer traag proces), kunnen ze gaan aangroeien en aan elkaar vast gaan zitten. Dit proces gaat het snelst bij temperaturen van rond het vriespunt. Vorming van echte sneeuwvlokken begint ongeveer bij -6 graden. Bij strenge winterkou zien we bij neerslag vaak slechts enkelvoudige ijskristallen of ijsnaaldjes. Dit noemen we poolsneeuw. Dit verschijnsel komt tijdens strenge winters soms ook wel in Nederland voor. De grootste sneeuwvlokken zien we veelal tijdens een weertype met sneeuwbuien bij temperaturen rond het vriespunt.

De neerslaghoeveelheid in de vorm van sneeuw is vrij eenvoudig te meten. Uiteraard kan dit door de sneeuw te smelten, maar een goede vuistregel is dat een mm neerslag in vloeibare vorm overeenkomt met een centimeter vers gevallen sneeuw. Valt de sneeuw bij temperaturen ver onder nul dan is de sneeuw luchtiger van structuur en is het sneeuwdek dus dikker bij dezelfde hoeveelheid neerslag. Officieel is er sprake van een sneeuwdekdag wanneer minimaal de helft van de omgeving van de waarneemplaats bedekt is met minimaal 1 cm sneeuw. Een representatieve sneeuwdekdag is een dag waarop gedurende tenminste 3 uur achtereen sneeuw ligt. Sneeuwduinen zijn vaak zeer compact van structuur en wel vaak dusdanig dat men er soms wel over kan lopen. Verder kunnen ze soms de meest bizarre vormen (zie rechts) aannemen. Sneeuwduinen ontstaan alleen tijdens harde wind bij sneeuwval of versgevallen sneeuw bij temperaturen onder nul.

Zodra de temperatuur van de lucht boven nul komt, hoeft de sneeuw nog niet meteen te gaan smelten. Zodra de zogenoemde natteboltemperatuur (zie vraagbaak) maar beneden nul blijft, blijft de sneeuwvlok in stand. Waarom?

De natteboltemperatuur is de temperatuur die de kwikbol van de thermometer zal aannemen, als deze is voorzien van een nat lapje. Datzelfde gebeurt met de sneeuwvlok. Deze natteboltemperatuur is bij extreem vochtige lucht gelijk aan de gewone temperatuur en wordt(bij gelijkblijvende temperatuur) steeds lager naarmate de luchtvochtigheid lager wordt. Zodra de sneeuwvlok begint te smelten en dus ook uit gewoon water bestaat, spreken we van natte of smeltende sneeuw. Hieruit kunnen we concluderen dat als sneeuw door een relatief droge luchtsoort valt, de neerslag tot wel 6 Š 7 graden boven nul als (natte) sneeuw kan vallen. Dit zien we vaak in het voorjaar als vanuit het noorden droge arctische lucht (met een lage natteboltemperatuur) wordt aangevoerd. Dit is tevens de verklaring voor het door veel sneeuwliefhebbers gehate verschijnsel.

Vlak voor een bui is het zo'n 5 graden boven nul. De bui arriveert en - inderdaad - de eerste sneeuwvlokken beginnen te vallen. De temperatuur begint langzaam de dalen, dus "kat in het bakkie", denkt de sneeuwliefhebber. Tot grote teleurstelling daalt de temperatuur tot pakweg 3 graden, waarna de sneeuw weer overgaat in regen. Verklaring: Dankzij vooral het vallen van de neerslag wordt de lucht onderin de bui vochtiger, de natteboltemperatuur komt boven nul, de vallende sneeuw begint te smelten en gaat vervolgens over in regen! Pas als het flink doorregent, kan de lucht uiteindelijk (door gedeeltelijke verdamping van de neerslag) zo ver afkoelen dat de regen alsnog opnieuw overgaat in sneeuw. Dit zien we vooral tijdens de passage van fronten, waarbij lange tijd achtereen neerslag valt. Een bui duurt daarvoor als regel te kort. Een grove vuistregel is dat er bij 6 graden boven nul bij buiensituaties nog sprake kan zijn van sneeuw en bij 2 of 3 graden boven nul tijdens de passage van fronten. Bij temperaturen boven nul spreekt men zoals eerder genoemd, van natte sneeuw.

Overigens geeft een temperatuur van 2 of zelfs 0 graden tijdens frontpassages geen garantie op sneeuw. Veel hangt namelijk af van wat de temperatuur van de bovenlucht is. Vooral voorafgaand aan dooiaanvallen kan zachtere lucht op enige hoogte al ver voor het grondfront uit snellen, zodat het bijvoorbeeld op 1000 meter hoogte al dooit, terwijl het aan en nabij de grond nog stevig vriest. Regendruppels bereiken dan de grond, omdat ze tijdens het vallen door de koude luchtlaag nabij de grond onderkoeld zijn geraakt en bevriezen meteen zodra een voorwerp geraakt wordt. Men spreekt nu van ijzel. Eenmaal gesmolten sneeuw in de bovenlucht wordt dus niet opnieuw sneeuw. Overigens spreekt men ook van ijzel als er "gewone" regen valt, die op een bevroren ondergrond bevriest. Kortom: de natteboltemperatuur en de temperatuur van hogere luchtlagen spelen een belangrijke rol bij de vraag of het wel of niet zal gaan sneeuwen.

Gemiddeld doet een flinke sneeuwvlok er tijdens zijn val ongeveer 300 meter over om geheel te smelten. Dat hagel wel in de zomer voorkomt, houdt natuurlijk verband met de grote valsnelheid van hagel en soms ook de omvang van de hagelkorels. Onderaan winterse buienwolken kunnen we dat mooi zien. Kijken we langs de onderrand van een buienwolk, zien we een min of meer horzontale lijn, die we een smeltlijn noemen. Regelmatig zien we onder de buienwolk over kortere afstand een soort gordijn naar beneden hangen, soms zelfs op meerdere plaatsen. Daar zal het niet sneeuwen, maar hagelen. Waar het zicht goed blijft, is en blijft dit regen en zien we een egale donkere, grijswitte massa op ons afkomen(vooral als je de zon achter je hebt), kunnen we binnen de korte tijd in de sneeuw zitten.

Als je goed kijkt, kun je soms bij temperaturen van enkele graden boven nul de sneeuw op enkele honderden meters boven je hoofd zien jagen. Het is dan zaak om op de thermometer te letten, zeker als de temperatuur blijft dalen. Vaak is dit een teken dat de regen uiteindelijk in sneeuw zal overgaan.

Een indicatie geeft ook de temperatuur op het 850hPa-vlak, dat zich gemiddeld op bijna 1500 meter hoogte bevindt. Tijdens onstabiele situaties (met een vertaicale temperatuurgradiŽnt van 1 graad per 100 meter) moet op dit niveau de temperatuur van de lucht circa -10 graden zijn, wil er een gerede kans op sneeuwbuien zijn. Aan de grond is de temperatuur dan +5 graden of lager. Op 3000 meter hoogte wordt dan gewoonlijk een temperatuur van circa -20 graden gemeten. Tijdens frontale sneeuwsituaties worden op het 850 hPa-vlak gewoonlijk temperaturen van -5 tot -8 graden gemeten. Toch moet bedacht worden dat dit vuistregels zijn. De opbouw van de atmosfeer kan qua temperatuur afwijken, terwijl de luchtvochtigheid op de diverse hoogteniveau's vooral bij buien een belangrijke rol speelt. Een zogeheten warmtetong, voorafgaand aan een warmtefront kan de temperatuur op bovengenoemd vlak tot aan het vriespunt brengen, terwijl er toch sneeuw kan vallen. Intensieve neerslag kan de middelbare en onderste luchtlagen doen afkoelen.

Weerspreuk Arie Verrips

Na weerlicht, waterkou en buien, komen sneeuw en koude aankruien.

Satellietbeelden

Buienradar



Waarschuwingen




-advertentie-